Hoofdmenu
Verhaal van Cornelis Joppensz
Vandaag is het 6 oktober 1574. In mijn kleine platboomde vaartuig kan ik gemakkelijk Leiden bereiken. Ik voel me ontzettend opgelucht, want sinds drie dagen kan Leiden weer vrij ademhalen. In de verte kan ik de stadswal al duidelijk zien. De stadsregering heeft tot op een halve mijl in de omgeving de huizen afgebroken en de bomen gerooid opdat de vijand niet ongezien dichterbij kon komen. Bij de muren van de geschonden stad vraag ik naar Cornelis Joppensz.
"Die dappere jongen? Vaar nog maar een mijltje door. Dan zie je een weeshuis, waar Cornelis verblijft. Het is daar nog steeds feest!"
Dat lijkt mij ook, na maanden van belegering door de Spanjaarden en de vreselijke honger, die de Leidenaren hebben moeten doorstaan.
Al gauw bereik ik het huis, waar een paar jongens op de binnenplaats voetballen met een gekneusde Spaanse helm, blijkbaar vergeten tijdens de overhaaste aftocht uit angst voor de Watergeuzen.
"Wie van jullie is Cornelis?"
"Hij daar, met die zwarte krullenkop!" lacht een van de jongens, terwijl hij een harde trap geeft tegen de Spaanse voetbal.
"Dag Cornelis, heb je de hutspot al op?"
"Ik heb er bijna niets van gegeten! Ik wilde zo snel mogelijk terug naar de anderen om ze het goede nieuws te vertellen. Zo opgewonden was ik. Maar het rook uitstekend!"
"Je kunt zeker heel wat vertellen van die benauwde uren in de stad?"
"Zeker. Maandenlang zijn we belegerd. Een nieuwe manier van oorlogvoeren: omsingelen en wachten totdat we ons overgeven. Die Spanjaarden hadden genoeg van Haarlem en Alkmaar geleerd en wilden niet wéér met stenen bekogeld worden en overgoten met kokende olie! Eenmaal werd de belegering onderbroken. Dat was toen de Spaanse landvoogd Requesens zijn leger naar de Maas in de Bommelerwaard had laten wegtrekken. Onder leiding van Sancho d'Avila, een Spaans krijgsman, versloeg hij Lodewijk, Hendrik en Jan van Nassau bij Mook. Dat zat er wel in, omdat de soldaten nauwelijks wilden vechten wegens het uitblijven van soldij."
"Hoe weet jij dit allemaal, Cornelis?"
"Nou, omdat er af en toe mannen door de omsingeling heen braken om contact te houden met de Prins. Elk bericht dat de stad binnenkwam verspreidde zich als een lopend vuurtje."
"Onder andere dat de Prins vol vertrouwen bleef en geloofde in een ontzet, nietwaar?"
"Ja, maar in het begin durfde ik dat nauwelijks te geloven. Ons leger was bij Mook uiteen geslagen. Toen in mei de Spanjaarden weer terugkwamen begon de ellende pas goed. Ze wilden ons uithongeren, zodat we de poorten zouden openen. Maar burgemeester Van der Werf weigerde dat pertinent. Wat we aan Requesens hadden wisten we niet. Hij liet het standbeeld van Alva weghalen, misschien om ons mild te stemmen. Requesens leek me een echte edelman. Iemand met wie je kon onderhandelen. Maar de hulp die we van de koning van Frankrijk nodig hadden, kwam niet en toen koos de Prins het water als bondgenoot."
"Dat heb ik gemerkt. Daardoor kon ik gemakkelijk Leiden bereiken. Hoe vond je dat, die dijkdoorbraken?"
"Het was de enige manier om Leiden te redden. De Prins liet de dijken tussen Kapelle en IJsselmonde, en tussen Rotterdam en Delfshaven doorsteken. Alleen de Ingelanden klaagden steen en been, daar hun land zou onderlopen."
"Daar reageerde de Prins heel laconiek op, heb ik gehoord. Hij zei zoiets als: 'Beter bedorven land dan verloren land.' Daar konden de Ingelanden het mee doen!"
"Ja, maar de Ingelanden hielden de Spanjaarden voortdurend op de hoogte en waarschuwden ze bepaalde dijken te versterken, zodat het water niet ver genoeg kon komen. Toen liet Francisco Valdez, een Spaans militair, de dijk bij de Landscheiding bij Zoetermeer bezetten. Bovendien steeg het water zo langzaam, dat de Geuzen moeilijk Leiden konden bereiken in hun vaartuigen. Toch konden zij de vijand van de sterke dijken verdrijven. Slechts een brede poldersloot bleef in het bezit van de Spanjaarden; een sloot die het water in het Rijnland zou kunnen brengen. Maar de watertoevoer bleek gering en de wind stond ongunstig."
"En ondertussen werd de toestand in Leiden zeker niet veel beter?" vroeg ik.
"Nee, eerder slechter: er brak pest uit. Dat was te verwachten met dat oneetbare en walgelijke spul dat we probeerden te eten. We zochten zelfs op de mesthopen! Het was vreemd dat Requesens de stad niet binnenviel. We konden amper op onze benen staan!"
"De plotselinge Noordwesterstorm bracht blijkbaar onverwachte hulp?"
"Ja! Toen kon het water stijgen en door de gaten van de doorgestoken dijken het Rijnland binnenstromen. De Geuzenvloot kon toen verder varen. De nacht voor de derde oktober verlieten de Spanjaarden dan ook al de schansen. Ook de sterkste, de Lammenschans, werd verlaten. Op de stadswal stond ik naar het belegeringskamp te kijken en dacht daar lichtjes te zien. Lichtjes die van de schans af gingen en niet er naar toe. Toen ik tegen de wachters riep dat de Spanjaarden aan het wegtrekken waren, meenden zij dat ik ijlde van de honger. Tenslotte zei er een dat ik maar eens moest gaan kijken. Ze boden me twee drieguldens en waarschuwden me dat als er toch Spanjaarden waren ik maar net moest doen alsof ik gek was van de honger. Nou, dat was niet moeilijk! Bij de Vlietbrug vond ik een bootje en stak de gracht over. Toen ik bij de Lammenschans kwam, hield ik mijn hart vast... Je kon nooit weten. Maar ik zag niemand. De Lammenschans was verlaten, ik had me niet vergist. Er stond alle!
En een grote pot met een verrukkelijk ruikende spijs er in!
Toen ik later alles aan de wachters vertelde, zeiden ze dat ik me dat maar verbeeldde. Uiteindelijk kwamen ze naar de schans en haalden jubelend de pot op om aan de hongerenden uit te delen. Ze noemden het hutspot."
"En van de Geuzen kreeg de stad haring, witte brood en kaas. Dat was vast het heerlijkste van het heerlijkste!"
"We kregen zelfs de kracht om de Geuzen als helden in te halen, want dat waren ze! Door het dolle heen is iedereen nu! We zijn weer vrij! Kom je vanavond ook naar de vreugdevuren? Dan verbranden we alles wat aan de Spanjaarden doet denken."
Cornelis en zijn makkers rennen weg. Zij hebben het gelukkig overleefd. Zij kunnen de vrijheid weer in rennen en hopelijk een goede toekomst tegemoet gaan, zonder honger, zonder angst.
Sluiten X
